Ga naar website navigation Ga naar artikel navigatie Ga naar inhoud

Pensioenproduct

Doelstelling van PFZW (ambitie)

PFZW ambieert een geïndexeerd pensioen tegen een betaalbare premie. Bij de huidige financiële positie kan deze ambitie niet worden gerealiseerd en is het risico op pensioenverlagingen groter dan wenselijk. Het bestuur van PFZW zou de risico’s in de beleggingsportefeuille graag inperken, maar dit zou het nog moeilijker maken om op termijn weer te kunnen indexeren. In deze afweging tussen ambitie en risico zal PFZW geleidelijk risico terugnemen, naarmate de dekkingsgraad stijgt. Bij een goede financiële positie waarin volledig kan worden geïndexeerd, willen we met minimaal 70% kans volledig kunnen blijven indexeren. 

De financiële opzet van het pensioenfonds met het beleggingsbeleid (risicohouding), de regeling, en premiestelling is op de lange termijn gericht op een geïndexeerd pensioen. De afgelopen jaren en naar het zich laat aanzien ook de komende jaren zal de ambitie niet gerealiseerd worden.

De premie wordt vastgesteld op basis van een langjarig verwacht rendement, gecorrigeerd voor inflatie. Hierbij komen nog opslagen zolang er niet volledig geïndexeerd wordt. Als de pensioenen moeten worden verlaagd, komt er nog een extra opslag op de premie ter versterking van de financiële positie.

Voor de bepaling van de indexering of verlaging van de pensioenen zijn we gebonden aan wettelijke eisen. Zodra indexeren wettelijk is toegestaan zal het bestuur hierover een besluit nemen. En indien de pensioenen wettelijk verlaagd moeten worden, zal het bestuur dienovereenkomstig besluiten.

Pensioenpremie 2019 en de Pensioenwet

In 2019 was de pensioenpremie voor de collectieve pensioenregeling 23,5% van het salaris boven de franchise. Hiervan was 22,4% voor de reguliere pensioenopbouw en 1,1% voor de inkoop van compensatierechten (VPL-regeling). Vanaf 2015 is de premie voor compensatierechten hoger dan de in een betreffend jaar in te kopen rechten. Op deze manier kunnen we deze rechten in 2020 financieren, als het restant van deze rechten moet worden ingekocht.

Jaarlijks bekijken we achteraf of de reguliere pensioenpremie volgens de Pensioenwet voldoende was. De reguliere premie moet hoger zijn dan de kostendekkende premie. Dat kan op twee manieren:

  • gedempt: op basis van het verwacht rendement, gecorrigeerd voor de prijsinflatie

  • ongedempt: op basis van de actuele rente op 1 januari 2019

PFZW toetst of de premie kostendekkend is op basis van de gedempte premie, omdat die meer stabiliteit geeft. De gedempte kostendekkende premie over 2019 was 15,4%. De ongedempte kostendekkende premie bedroeg 32,6%. In 2019 was de pensioenpremie hoger dan de gedempte premie. Hiermee voldoen we aan de eisen van de Pensioenwet.

  

Gedempte

 

Ongedempte

  

kostendekkende

kostendekkende

  

premie

 

premie

Pensioenopbouw actieven

 

8,4%

 

23,9%

Premievrije pensioenopbouw AO'ers

 

0,5%

 

1,4%

Ingang Partnerpensioen op risicobasis

 

0,5%

 

0,8%

     

Totaal actuariële inkooppremie

 

9,4%

 

26,1%

     

Opslag voor vereist eigen vermogen

 

2,3%

 

6,4%

Opslag voor de uitvoeringskosten

 

0,1%

 

0,1%

Opslag bestemd voor voorwaardelijke indexering

 

3,6%

 

0,0%

     

Totale kostendekkende premie

 

15,4%

 

32,6%

     

Feitelijke pensioenpremie

 

22,4%

 

22,4%

Onttrekking aan premiestabilisatiebestemmingsreserve

 

0,1%

 

0,1%

Premieoverschot/-tekort

 

7,1%

 

(10,1%)

De premiedekkingsgraad was voor 2019 85,6%. Dit was lager dan de actuele dekkingsgraad. Dit betekende dat de inkoop van pensioenrechten heeft gezorgd voor een daling van de dekkingsgraad. Sinds 2016 ligt de premiedekkingsgraad onder de actuele dekkingsgraad. In 2020 is de premiedekkingsgraad wederom lager dan de actuele dekkingsgraad aan het begin van het jaar. Het bestuur van PFZW houdt er rekening mee dat in 2021 de premie omhoog moet en/of de pensioenopbouw omlaag. Dat zou de premiedekkingsgraad hoger maken.

Wettelijke risicohouding

De haalbaarheidstoets laat zien in welke mate en hoe we onze ambitie kunnen realiseren en in hoeverre pensioenresultaten kunnen tegenvallen in slechte scenario’s. Voor de haalbaarheidstoets formuleerde het bestuur een risicohouding, waarin de grenzen zijn aangegeven voor het pensioenresultaat. Het pensioenresultaat is de mate waarin PFZW naar verwachting een waardevast pensioen kan uitkeren. In de haalbaarheidstoets is het onze ambitie om de komende 60 jaar tenminste een pensioenresultaat van 90% van een volledig met prijsinflatie geïndexeerd pensioen te behalen. Dit wordt jaarlijks getoetst. In 2019 is hierbij de aanvangshaalbaarheidstoets uit het vierde kwartaal van 2018 gehanteerd. Bij deze toetsing bleek dat we aan deze grenzen uit onze ambitie voldoen.

Grondslagen

De actuariële grondslagen zijn de aannames voor de berekening van de technische voorziening en de premie. Eens in de drie jaar worden alle grondslagen onderzocht en geactualiseerd. In 2019 vond een volledig grondslagenonderzoek plaats, waarbij alle grondslagen zijn onderzocht. Het vorige volledig onderzoek was in 2016. In de tussenliggende jaren werden de belangrijkste grondslagen gemonitord.

De belangrijkste grondslag is sterfte en langleven. In 2019 is er geen nieuwe prognosetafel gepubliceerd door het Koninklijk Actuarieel Genootschap. Dit gebeurt pas in september 2020. Mensen die in de sector zorg en welzijn werken, leven langer dan de gemiddelde Nederlandse bevolking. De inschatting van dit verschil, ook wel ervaringssterfte genoemd is geactualiseerd. De actualisatie van de ervaringssterfte leidt tot een lichte afname voor de sector zorg en welzijn van de levensverwachting.

In totaal zorgde de aanpassing van de actuariële grondslagen in 2019 voor het gelijkblijven van de benodigde premie en een stijging van de actuele dekkingsgraad.

Premie 2020

De premie en opbouw voor Ouderdomspensioen en Partnerpensioen (OP/PP) is voor 2020 gelijk gebleven. Het bestuur houdt er wel rekening mee dat het voor 2021 de premie moet verhogen en/of de pensioenopbouw moet verlagen. Hierbij spelen de stand van de rente, de lage premiedekkingsgraad, het verwachte rendement uit beleggingen en de nieuwe afspraken uit het pensioenakkoord een belangrijke rol. In 2020 zijn de opbouw- en premiepercentages als volgt:

 

2019

2020

   

Reguliere pensioenpremie OP/PP (bijdragegrondslag)

22,4%

22,4%

VPL-premie (Bijdragegrondslag)

1,1%

1,1%

Totaal pensioenpremie (bijdragegrondslag)

23,5%

23,5%

   

AP-premie (salaris -/- AP-franchise)

0,6%

0,5%

   

Opbouwpercentage OP

1,75%

1,75%

Opbouwpercentage PP

0,625%

0,625%

Pensioenrekenleeftijd

68

68

Financiële situatie

De actuele dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen en de waarde van de pensioenverplichtingen. Deze drukt uit in hoeverre PFZW naar verwachting in de toekomst aan de pensioenverplichtingen kan voldoen. De actuele dekkingsgraad van 97,5% per eind december 2018 is gestegen naar 99,2% per eind december 2019.

De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de actuele dekkingsgraden van de laatste twaalf maanden. In 2019 daalde de beleidsdekkingsgraad van 101,3% naar 96,5%. In het Financieel Toetsingskader (FTK) is de beleidsdekkingsgraad een belangrijke maatstaf voor de financiële sturing van PFZW, bijvoorbeeld om te bepalen of wij de pensioenen kunnen aanpassen aan de prijsontwikkeling. Op negen van de afgelopen tien jaareinden lag de actuele dekkingsgraad onder de minimaal vereiste dekkingsgraad. De minimaal vereiste dekkingsgraad is de dekkingsgraad waar de beleidsdekkingsgraad in het FTK niet langer dan zes achtereenvolgende meetmomenten onder mag liggen (dekkingstekort). De minimaal vereiste dekkingsgraad was per eind 2019 104,3%. PFZW heeft sinds eind 2015 ieder jaareinde een dekkingstekort omdat de beleidsdekkingsgraad lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad. Als eind 2020 zowel de beleids- als actuele dekkingsgraad lager zijn dan de minimaal vereiste dekkingsgraad, moeten de pensioenen worden verlaagd.

De reële dekkingsgraad is de dekkingsgraad die rekening houdt met toekomstige prijsinflatie; deze geeft aan of we naar verwachting in de toekomst de pensioenen kunnen indexeren. Als de reële dekkingsgraad 100% is, mag er volgens het FTK volledig worden geïndexeerd. De reële dekkingsgraad daalde in 2019 van 82,3% naar 77,6%.

Het Vereist Eigen Vermogen (VEV) is het vermogen dat nodig is om de mogelijke dalingen of risico’s binnen een jaar op te kunnen vangen. De vereiste dekkingsgraad is de dekkingsgraad die bij het VEV hoort. De vereiste dekkingsgraad per eind 2019 was 122,7%.

Financiële risico’s

Om onze ambitie te realiseren moeten we beleggingsrisico nemen. Daarbij zijn we afhankelijk van de resultaten op de financiële markten.

In onderstaande tabel staat het effect van het rendement op zakelijke waarden (zw) en een wijziging van de rente op de actuele dekkingsgraad per eind 2020.

 

Rendement Zakelijke Waarden

Verandering swaprente

10%

5%

0%

-5%

-10%

-15%

-20%

1,0%

116,2%

112,2%

108,2%

104,1%

100,1%

96,1%

92,0%

0,6%

111,1%

107,3%

103,6%

99,8%

96,0%

92,3%

88,5%

0,4%

108,6%

105,0%

101,4%

97,8%

94,1%

90,5%

86,9%

0,0%

104,0%

100,7%

97,3%

93,9%

90,5%

87,2%

83,8%

-0,4%

99,8%

96,7%

93,5%

90,4%

87,2%

84,1%

81,0%

-0,6%

97,8%

94,8%

91,8%

88,7%

85,7%

82,7%

79,7%

-1,0%

94,1%

91,3%

88,5%

85,7%

82,9%

80,1%

77,3%

Een daling van de rente leidt tot een stijging van de waarde van de verplichtingen en daarmee een daling van de dekkingsgraad. Als de marktrente gelijk blijft en er geen rendement wordt gemaakt, daalt de dekkingsgraad over eind 2020 naar 97,3%. Dit komt doordat de Ultimate Forward Rate (UFR) in de rekenrente voor de dekkingsgraad verder zal dalen en doordat de premiedekkingsgraad onder de actuele dekkingsgraad ligt. Van deze verwachte daling is 1,0 procentpunt door de dalende UFR en 0,9 procentpunt door de premiedekkingsgraad. Daarnaast doen wij volledige pensioenuitkeringen, terwijl de dekkingsgraad lager is dan 100%. Als de dekkingsgraad eind 2020 onder de 100% blijft moet PFZW volgens de regels van 2019 een verlaging doorvoeren.

Voorbereiding op een verlaging

De financiële positie heeft in 2019 aanhoudende zorg gegeven. Het risico op een verlaging in 2020 wegens het niet tijdig kunnen voldoen aan het Vereist Eigen Vermogen (VEV) was aanzienlijk. Dat zou namelijk moeten bij een actuele dekkingsgraad onder de 94%. Dit risico is kleiner geworden door de brief van de minister van Sociale Zaken in november 2019 waarin hij – onder voorwaarden - accepteert dat er geen VEV-verlaging hoeft plaats te vinden boven een dekkingsgraad van 90%. Pensioenfondsen mogen volgens deze vrijstelling namelijk rekenen met een hersteltermijn van twaalf jaar in plaats van tien jaar. De actuele dekkingsgraad eind 2019 was 99,2% en daarmee hoger dan de oorspronkelijke kritische dekkingsgraad. PFZW heeft dus geen gebruik hoeven maken van de handreiking van de minister. 

Gedeeltelijke indexatie kan worden gegeven als de beleidsdekkingsgraad boven de 110% ligt. De beleidsdekkingsgraad ligt onder de 110%, daardoor kunnen de pensioenen niet worden geïndexeerd. Ook voor de komende jaren verwachten we dat dit niet mogelijk is. Het blijft onze ambitie om de pensioenen jaarlijks met de prijsinflatie te verhogen, hiervoor is herstel van de dekkingsgraad nodig.

Als PFZW vijf kalenderjaren achtereen een te lage dekkingsgraad heeft ten opzichte van het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV), is een verlaging wettelijk verplicht. Met een dekkingsgraad onder het minimaal vereist eigen vermogen eind 2020 moet PFZW rekening houden met een verlaging in 2021. 

Gezien deze risico’s heeft PFZW zich in 2019 voorbereid op verlagingen van pensioen. Dat betrof met name de beleidsmatige vraag of een eventuele MVEV-verlaging zou moeten worden gespreid over meer kalenderjaren en zo ja, op welke wijze. Naast eigen analyses heeft het bestuur hierbij ook deelnemersonderzoek gedaan. Een van de uitgangspunten is om een MVEV-verlaging in beginsel niet te spreiden. Bij een grote verlaging kan dit toch wenselijk zijn bij pensioengerechtigden. Zowel in de administratie als in de communicatie worden daar in 2020 voorbereidingen voor getroffen.

Actuarieel rapport samenvatting en oordeel actuaris

Samenvatting certificeringsrapport boekjaar 2019 waarmerkend actuaris

Jaarlijks stelt de waarmerkend actuaris van Pensioenfonds Zorg en Welzijn een rapport op, dat is bedoeld om inzicht te verschaffen in de ontwikkeling van de financiële positie van het pensioenfonds gedurende het boekjaar en in het bijzonder in de financiële positie van het pensioenfonds op de balansdatum.

De werkzaamheden van de waarmerkend actuaris bestaan met name uit de beoordeling of is voldaan aan de vereisten in de Pensioenwet. Als onderdeel hiervan toetst hij of de technische voorzieningen, als geheel bezien, toereikend zijn vastgesteld en of de hierbij gehanteerde grondslagen prudent zijn. Naar het oordeel van de actuaris is dat per 31 december 2019 het geval. 

Met betrekking tot de premie heeft de waarmerkend actuaris vastgesteld dat de in boekjaar 2019 ontvangen totale premiebijdrage hoger was dan de gedempte premie, die onderdeel vormt van de financiële opzet van het pensioenfonds. Uitgaande van de door het pensioenfonds gehanteerde dempingsmethodiek was de premie in 2019 dan ook wettelijk kostendekkend.

Daarnaast toetst de actuaris of het Minimaal Vereist Eigen Vermogen en het Vereist Eigen Vermogen correct zijn bepaald en hoe het eigen vermogen van het pensioenfonds zich hiertoe verhoudt. De actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds is met 1,7% toegenomen tot 99,2%. De beleidsdekkingsgraad (de gemiddelde dekkingsgraad over de afgelopen 12 maanden) is afgenomen van 101,3% tot 96,5%.

Omdat de beleidsdekkingsgraad lager is dan de (minimaal) vereiste dekkingsgraad heeft het pensioenfonds in 2020 een actualisatie van het herstelplan gemaakt. Op basis van de toegestane parameters blijkt dat het pensioenfonds naar verwachting nog zonder aanvullende maatregelen binnen de wettelijke termijn van tien jaar herstelt tot de vereiste dekkingsgraad. De verwachte hersteltermijn is toegenomen van negen tot tien jaar. De actuaris wijst er op dat zowel de te realiseren herstelkracht als de mate waarin de door het pensioenfonds nagestreefde reële ambitie gedurende de herstelperiode naar verwachting kan worden verwezenlijkt, in grote mate afhankelijk zal zijn van toekomstige, onzekere overrendementen.

De beleidsdekkingsgraad is voor het vijfde jaareinde lager dan de minimaal vereiste dekkingsgraad (104,3%). Als de beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds gedurende zes achtereenvolgende meetmomenten lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad èn de actuele dekkingsgraad op dat moment eveneens lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad, dient het pensioenfonds kortingsmaatregelen te treffen. Een dergelijke maatregel kan voor het pensioenfonds in het jaar 2021 van toepassing zijn, op basis van het meetmoment per einde 2020.

Oordeel waarmerkend actuaris

In de actuariële verklaring over boekjaar 2019 heeft de actuaris verklaard dat naar zijn overtuiging is voldaan aan de artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet, met uitzondering van artikel 131 (minimaal vereist eigen vermogen), artikel 132 (vereist eigen vermogen) en artikel 133 (dekking door waarden). Omdat het eigen vermogen lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen kwalificeert de actuaris de vermogenspositie als slecht.

Verder merkt de actuaris bij artikel 137 (voorwaardelijke toeslagverlening) op dat het niveau van de marktrente de afgelopen jaren zowel de realisatie als de financiering van de voorwaardelijke toeslagverlening negatief heeft beïnvloed.

De actuaris merkt daarnaast op dat het bestuur bij de totstandkoming van de premiestelling voor 2020 blijk heeft gegeven zich hiervan bewust te zijn. Het bestuur heeft de interne rekenrente voor de berekening van de benodigde premie verlaagd. Deze aanpassing heeft echter niet geleid tot een verhoging van de feitelijke premie of verlaging van de opbouw en draagt daarmee in 2020 niet bij aan een verbetering van de financiering van de regeling en van de financiële positie. De houdbaarheid van de financiële opzet staat daarmee naar zijn mening onverminderd onder druk.