Ga naar website navigation Ga naar artikel navigatie Ga naar inhoud

Lage kosten

Doelstelling uitvoeringskosten

Kostenbeheersing is een belangrijk thema, zowel vanuit strategisch en maatschappelijk oogpunt als vanuit integere bedrijfsvoering. Het op een uniforme manier presenteren van kosten is belangrijk voor de vergelijkbaarheid. PFZW volgt de Aanbeveling Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Deze aanbevelingen maken onderscheid in de kosten van pensioenbeheer, vermogensbeheer en transactiekosten. De algemene kosten worden verdeeld over pensioenbeheer en vermogensbeheer.

De kosten van het pensioenfonds drukken we uit in kosten per deelnemer. PFZW heeft als ambitie dat ultimo 2023 de kosten per deelnemer lager zijn dan € 60. Daarnaast moet PFZW investeren om in te kunnen spelen op toekomstige veranderingen in het pensioenstelsel. Gezien deze aanpassingen is de doelstelling uitdagend.

De kosten van het vermogensbeheer worden uitgedrukt als een percentage van het gemiddeld belegd vermogen. De doelstelling om onder de 0,50% uit te komen is gerealiseerd.

Voor transactiekosten heeft PFZW geen doelstellingen geformuleerd. De kosten zijn afhankelijk van de hoeveelheid transacties. Deze hoeveelheid wordt niet alleen bepaald door de beleggingsstrategie maar ook door marktomstandigheden.

Kosten pensioenbeheer

Het aantal slapers en pensioengerechtigden stijgt sinds enkele jaren. Met pensioen gaan van slapers en deelnemers brengt administratieve handelingen met zich mee. Het aantal actieve deelnemers nam in 2019 toe. Verdergaande automatisering is essentieel om de kostendoelstelling te kunnen realiseren. 

De kosten per deelnemer voor de uitvoering van de pensioenregeling in 2019 bedroegen € 61,70 (2018:€ 62,10). Bij deze kosten per deelnemer is rekening gehouden met een doorbelasting van de algemene kosten van € 1 miljoen (2018: € 1 miljoen). Het gaat hier om de bestuurlijke overheadkosten (bestuur en bestuurbureau) die op basis van verdeelsleutels worden toegekend aan pensioenbeheer en vermogensbeheer. Deze verdeelsleutels worden jaarlijks geëvalueerd na het opstellen van de fondsbegroting voor het opvolgende jaar.  

Kosten vermogensbeheer

Er is aandacht voor de kosten die pensioenfondsen maken voor het beheer van hun vermogen. Kosten bij vermogensbeheer zijn voor PFZW relevant, omdat het om grote bedragen gaat, de beleggingsportefeuille groot is en er sprake is van dienstverlening door derde partijen.

Bij de bepaling van de kosten van het vermogensbeheer hanteert PFZW het ‘look through’-principe. Hierbij neemt PFZW de vermogensbeheerkosten van beleggingen in beleggingsfondsen of zogeheten fund of funds mee in de totale kosten. Daarnaast maakt PFZW voor beleggingscategorieën binnen private markten gebruik van schattingen om de totale kosten van het vermogensbeheer compleet te maken. Ongeveer 7,9% van de kosten van het vermogensbeheer is gebaseerd op schattingen of op voorlopige opgaves.

De kosten van het vermogensbeheer zijn gedaald van 0,45% in 2018 naar 0,43% in 2019. PFZW voldoet daarmee aan de eigen doelstelling, dat de kosten van het vermogensbeheer minder zijn dan 0,50% van het gemiddeld belegd vermogen. In de afgelopen vijf jaar zijn de kosten van het vermogensbeheer uitgedrukt als percentage van het gemiddeld belegd vermogen met ruim 10% gedaald.

De tabel hierna geeft de kosten vermogensbeheer per beleggingscategorie weer.

(bedragen x € 1 miljoen)

 

2019

   

2018

  
 

Gemiddeld

 

Prestatie

 

Gemiddeld

 

Prestatie

 
 

belegd

Beheer

afhankelijke

Netto

belegd

Beheer

afhankelijke

Netto

 

vermogen

vergoeding

vergoeding2

rendement1

vermogen

vergoeding

vergoeding

rendement1

         

Zakelijke waarden

115.225

486

410

18,2%

103.499

474,4

356,3

(3,0%)

Aandelen klassiek ontwikkelde markten

25.865

9,5

0,6

25,4%

23.734

8,9

0,7

(8,9%)

Aandelen klassiek opkomende markten

8.291

11,3

-

21,7%

7.378

10,5

-

(8,1%)

Aandelen Beleggen in Oplossingen

3.435

10,0

-

27,9%

3.122

8,9

-

(12,5%)

Alternatieve aandelenstrategieën

22.743

15,9

-

22,0%

20.507

12,9

-

(8,4%)

Private equity

12.771

218,8

290,6

16,9%

11.736

219,9

350,4

5,0%

Beursgenoteerd vastgoed

13.846

9,0

-

20,2%

11.976

8,1

-

(4,2%)

Privaat vastgoed

13.558

116,2

51,4

8,6%

12.423

121,1

8,4

10,1%

Infrastructuur

8.703

43,2

64,6

7,0%

7.456

38,3

(2,4)

8,8%

Insurance

5.178

36,8

-

3,5%

4.176

28,9

-

(3,1%)

Overige zakelijke waarden

835

15,1

2,5

(0,4%)

991

16,9

(0,8)

(12,2%)

         

Grondstoffen

8.649

4,8

-

26,1%

10.829

5,2

-

(17,8%)

         

Krediet

30.386

52

-

11,2%

26.328

47,2

-

0,2%

Bedrijfsobligaties ontwikkelde markten

4.304

3,1

-

6,5%

4.112

2,6

-

(1,3%)

High yield ontwikkelde markten

2.289

8,6

-

10,3%

2.351

9,5

-

(4,9%)

Bedrijfsobligaties en high yield opkomende markten

4.474

4,8

-

10,7%

3.914

4,2

-

(4,7%)

Emerging markets debt local currency

11.015

14,9

-

15,3%

9.247

14,7

-

(1,9%)

Credit risk sharing

5.801

10,2

-

8,5%

4.872

8,2

-

12,2%

Hypotheken

2.502

10,7

-

8,9%

1.832

8,0

-

1,6%

         

Vastrentende waarden

70.625

15

-

20,3%

60.104

10,3

-

4,3%

Rente-afdekkingsmandaat

68.550

8,6

-

13.368

55.134

6,8

-

3.270

Legacy vastrentend en Inflatie

2.579

0,6

-

(28,4%)

4.186

0,8

-

(16,4%)

Kas en overig

(504)

5

-

(18)

785

2,7

-

€ -37

         

Valuta overlay

(712)

-

-

897

(1)

-

 

€ 1.424

         

Vergoeding uitvoeringsorganisatie

 

2

   

13

  

Doorbelaste algemene kosten

 

1

   

1

  
         

Totaal

224.173

560

410

18,8%

200.759

551

356

(0,4%)

         

Kosten in percentage gemiddeld belegd vermogen

 

0,25%

0,183%

  

0,27%

0,18%

 
  • 1 Het nettorendement is berekend op basis van een volledige afdekking van de zeven grootste ontwikkelde markten valutarisico’s. Bij de valuta overlay wordt het verschil tussen een volledige afdekking en de werkelijke afdekking van valutarisico’s gerapporteerd.
  • 2 Van het getoonde bedrag in de kolom prestatieafhankelijke vergoeding ziet € 41,7 miljoen toe op kosten uit voorgaande jaren. Deze kosten waren in voorgaande jaren wel begrepen in gepresenteerde opbrengsten en rendementen, maar niet eerder afzonderlijk zichtbaar gepresenteerd in de tabel.

De in de tabel weergegeven bedragen onder het kopje 'beheervergoeding' zijn gebaseerd op geïnvesteerde of toegezegde bedragen. Hieronder vallen de vaste overeengekomen vergoedingen, bewaarloon en overige kosten. In sommige gevallen wordt een prestatieafhankelijke vergoeding afgesproken met externe vermogensbeheerders.  Prestatieafhankelijke vergoedingen zijn afhankelijk gesteld van het rendement van de beleggingen waar deze betrekking op hebben.

De beheervergoeding daalde van 0,27% in 2018 naar 0,25% in 2019. De prestatieafhankelijke vergoeding is 0,18%, evenals in 2018. Beleggingsbeleid en rendementen bepalen in hoge mate de hoogte van deze vergoedingen.

Beleggingsbeleid

Vijf aspecten van het beleggingsbeleid hebben invloed op de hoogte van de kosten van het vermogensbeheer:
1. beleggingsmix
2. schaalgrootte
3. de mate van actief of passief beheer
4. de mate van intern of extern beheer
5. directe of indirecte belegging

In de besluitvorming over de beleggingsmix houdt PFZW rekening met de kosten, maar aanpassing van de beleggingsmix omwille van kostenverlaging is geen doel op zich. Het doel is de kosten van het vermogensbeheer te verminderen met behoud van het beoogde rendement. De kosten van het vermogensbeheer zijn binnen de beleggingsmix mede afhankelijk van de verdeling tussen private markten en publieke markten. Beleggingen op private markten maken in 2019, ongeveer 23% van de beleggingsmix uit (2018: ongeveer 22%). De mutaties binnen de beleggingsmix hadden mede hierdoor in 2019 een beperkt effect op de hoogte van de kosten.

De private markten zijn verantwoordelijk voor 87% (2018: 88%) van alle kosten. PFZW is van mening dat de rendementsverwachtingen van private beleggingen opwegen tegen de hogere kosten. De private marktbeleggingen van PFZW leverden met een gemiddeld netto jaarrendement van 7,7% over de periode 2008 tot en met 2019 een hoger rendement dan de Liquide Benchmark van publieke marktbeleggingen van PFZW, die gewogen naar feitelijke portefeuillegewichten gemiddeld netto 6,4% rendeerden.  

De schaalgrootte is voor PFZW een gegeven en biedt voordelen. Vergelijkingen met Nederlandse peers met een minder groot belegd vermogen laten zien dat als gevolg van deze schaalgrootte lagere kosten worden gerealiseerd.

Het aandeel directe beleggingen, zoals projecten met één of meer mede-investeerders, is de afgelopen jaren uitgebreid binnen de private markten. Een belangrijke reden voor deze uitbreiding is dat directe beleggingen over het algemeen lagere kosten met zich meebrengen dan indirecte beleggingen. Het aandeel indirecte beleggingen van PFZW, zoals participaties in beleggingsfondsen binnen de private markten, is daarom de afgelopen jaren gedaald. Beleggingen in beleggingsfondsstructuren zijn vaak duurder en worden om deze reden waar mogelijk vermeden.

Kosten vermogensbeheer in relatie tot rendement

Het beoogde rendement moet in relatie staan tot de kosten van het vermogensbeheer. Het langjarige rendement is daarom van belang bij het beoordelen van het kostenniveau en de keuze van de beleggingsmix.

De volgende tabel laat de totale kosten van het vermogensbeheer tegenover het rendement zien. De netto- en brutorendementen per beleggingscategorie worden weergegeven in de toelichtende paragraaf Financieel rendement. De tabel laat zien dat het samengestelde rendement niet direct te koppelen is aan de totale prestatieafhankelijke vergoeding.

Kosten vermogensbeheer in percentage van gemiddeld belegd vermogen

 

2015

2016

2017

2018

2019

      

Totale kosten vermogensbeheer in %

0,48%

0,46%

0,49%

0,45%

0,43%

Waarvan prestatieafhankelijke vergoeding in %

0,18%

0,16%

0,20%

0,18%

0,18%

      

Netto rendement na kosten

(0,1%)

12,0%

5,1%

(0,4%)

18,8%

Benchmark rendement na kosten

(1,1%)

11,6%

5,2%

(0,8%)

18,5%

De hoogte van deze prestatieafhankelijke vergoeding hangt onder meer af van de verschillende performance fee structuren bij externe vermogensbeheerders. Bij beleggingen in private markten wordt de prestatieafhankelijke vergoeding in veel gevallen pas aan het eind van de looptijd daadwerkelijk betaald. Gedurende de looptijd maakt PFZW reserveringen voor de tot dan toe berekende prestatieafhankelijke vergoeding.

Rendementen, risico en kosten vermogensbeheer vormen een onlosmakelijk geheel. Het nettorendement van de beleggingscategorie infrastructuur kwam over 2019 uit op 7,0%. Meerdere externe managers lieten een meerjarige performance boven de gemaakte afspraken over het minimaal vereiste rendement zien. Dit rendement leidt binnen Infrastructuur tot een hogere omvang van de prestatieafhankelijke vergoeding dan in 2018. 

De prestatieafhankelijke vergoeding binnen de beleggingscategorieën privaat vastgoed en infrastructuur is in 2019 toegenomen. Bij verschillende managers was in 2019 sprake van een hoger rendement dan in 2018. Dit heeft geleid tot een verhoging van de reservering van de prestatieafhankelijke vergoeding bij deze managers. Binnen de beleggingscategorie private equity is, ondanks een hoger rendement een lagere prestatieafhankelijke vergoeding gereserveerd dan in 2018. Dit is het gevolg van het aanpassen van een deel van de portefeuille waar een prestatieafhankelijk vergoeding moet worden betaald of gereserveerd. Deze aanpassingen hebben geleid tot een lagere reservering in 2019. De totale prestatieafhankelijke vergoeding bedroeg 0,18% in 2019, evenals in 2018.

Transactiekosten

Transactiekosten vormen een aparte kostensoort. De omvang wordt bepaald door de aard en de omvang van de beleggingstransacties en beleggingscategorieën. Ongeveer 57% (2018: 64%) van de transactiekosten is gebaseerd op schattingen of op voorlopige opgaves. Bij de bepaling van de transactiekosten hanteert PFZW het ‘look through’-principe. Hierbij neemt PFZW de transactiekosten van beleggingen in beleggingsfondsen of zogeheten fund of funds mee in de totale transactiekosten.

PFZW streeft naar het beperken van de transactiekosten. Om dit te realiseren wordt bij het herbalanceren van de portefeuille naar de strategische beleggingsmix, het aantal transacties zo veel mogelijk beperkt.

De transactiekosten bedroegen in 2019 € 201 miljoen, wat neerkomt op 0,09% van het gemiddeld belegd vermogen. In 2018 was dit € 171 miljoen en daarmee eveneens 0,09% van het gemiddeld belegd vermogen. De stijging wordt met name veroorzaakt door een hoger transactievolume binnen de beleggingscategorie aandelen en hogere acquisitiekosten binnen de beleggingscategorie infrastructuur ten gevolge van nieuwe investeringen. Hogere transactievolumes en hogere spreads binnen de beleggingscategorie vastrentende waarden droegen eveneens bij aan de stijging. Binnen de beleggingscategorie krediet was sprake van een hogere spread waardoor de transactiekosten zijn gestegen.

Transactiekosten per bouwblok

(bedragen x € 1 miljoen)

2018

2019

   

Zakelijke waarden

61,3

86,9

Grondstoffen

25,9

23,8

Krediet

35,2

28,4

Vastrentende waarden

48,3

61,7

Totale transactiekosten

170,7

200,8

PFZW onderscheidt binnen de transactiekosten drie categorieën:

  • In- en uitstapkosten bij beleggingsfondsen

  • Aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels

  • Acquisitiekosten

PFZW belegt voor een deel in beleggingsfondsen. Hierbij worden in- en uitstapkosten in rekening gebracht. Daarnaast worden door deze beleggingsfondsen zelf transactiekosten gemaakt. Naar rato van de participatiegraad en op basis van ‘look through’  worden deze posten toegerekend.

De aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels tellen drie componenten:

  • Brokerage fees voor het verwerken van transacties

  • Spread voor diverse kosten en winstopslagen bij de tussenpersoon

  • Het verwerken en registreren van transacties in de administratie van vermogensbeheerders

De aan- en verkoopkosten bij directe beleggingen in beleggingstitels bedroegen in 2019 € 148 miljoen (2018: € 132 miljoen). De stijging werd vooral veroorzaakt door het hoger verhandelde volume. Transactiekosten voor directe beleggingen in vastrentende waarden en derivaten worden geschat. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde spread, het verschil tussen de bied- en laatkoersen. PFZW maakt op basis van transactiekarakteristieken, zoals rating, looptijd, volume, regio en valutaparen, een best mogelijke inschatting van deze spread.

De acquisitiekosten bedroegen in 2019 € 58 miljoen (2018: € 42 miljoen). Deze hebben betrekking op directe transacties in private markten. De kosten van adviseurs zijn een belangrijke component. De grootste bijdrage aan de stijging van de acquisitiekosten komt van de beleggingscategorie infrastructuur, als gevolg van meerdere nieuwe investeringen in 2019.

Benchmarking van de kosten

De kosten voor pensioenbeheer en vermogensbeheer worden vergeleken met de wereldwijde benchmarkvergelijking van Cost Effectiveness Measurement (CEM). PFZW onderscheidt zich mede door schaalvoordelen positief ten opzichte van deze benchmark.

Voor pensioenbeheer lagen de kosten per actieve deelnemer en pensioengerechtigde in 2019 op € 62 en daarmee onder het gemiddelde van de grote Nederlandse pensioenfondsen (€ 77) en onder het wereldgemiddelde (€ 93). PFZW vindt het belangrijk om ook op de lange termijn een lager kostenniveau te houden dan de benchmark. Op het moment van publicatie van het jaarverslag zijn geen CEM-gegevens over 2019 beschikbaar.

De peergroep waarmee PFZW voor de vermogensbeheerkosten wordt vergeleken, bestaat uit internationale pensioenfondsen van vergelijkbare grootte. Daarbij weegt de opbouw van de beleggingsmix relatief mee in de vergelijking van de kosten. De kosten van het vermogensbeheer van PFZW liggen volgens de laatst beschikbare CEM (2018) 3,5 basispunten onder de benchmark. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat door schaalvoordelen het mogelijk is lagere kosten voor diensten van externe vermogensbeheerders uit te onderhandelen. Ook droeg in vergelijking tot de peers het grotere aandeel directe- en co-investeringen binnen private markten bij aan de lagere kosten. Aan de andere kant blijkt uit het CEM-rapport dat in vergelijking tot de peers hogere kosten zijn verbonden aan de implementatiestijl. De implementatiestijl is in vergelijking tot de peers minder passief voor met name de zakelijke waarden. Bij de implementatie van deze beleggingen wordt vaker gebruikgemaakt van externe managers, waaraan hogere kosten zijn verbonden. De toegevoegde waarde van het door ons gekozen beleid is volgens het meest recente CEM-rapport 0,5% (€ 4,4 miljard) over een periode van vijf jaar (2014-2018).

Aansluiting naar de jaarrekening toelichtingen

Voor de presentatie van kosten in het bestuursverslag volgt PFZW de Aanbevelingen Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Voor de jaarrekening gelden de richtlijnen van de Raad voor de jaarverslaggeving. De jaarrekening presenteert daardoor alleen de kosten die direct bij PFZW in rekening zijn gebracht of nog worden gebracht, terwijl in het bestuursverslag ook de indirecte kosten (de zogenaamde ‘hidden costs’) worden gepresenteerd. Deze indirecte vermogensbeheer- en transactiekosten maken in de jaarrekening onderdeel uit van de waardeverandering van de beleggingen en hebben daardoor invloed op het behaalde rendement. Daarom zijn de totale kosten van het vermogensbeheer in de jaarrekening lager.

(bedragen x € 1 miljoen)

Vermogens-
gerelateerd
(excl. Performance
gerelateerd)

Performance
gerelateerde
vergoedingen

Transactie-
kosten

Totaal

     

Beheervergoedingen

(61,1)

-

-

(61,1)

Bewaarloon

3,3

-

-

3,3

Overige kosten

6,4

-

-

6,4

     

Directe kosten, opgenomen in de jaarrekening

(51,4)

-

-

(51,4)

Indirecte kosten, onderdeel van de waardeveranderingen van beleggingen

611,7

409,7

200,8

1.222,2

     

Totale vermogensbeheerkosten en transactiekosten

560,3

409,7

200,8

1.170,8